12.
Al valle ook de rechtvaardige aan zijn zij',
De booswicht sneev'! ... Wat spreek ik van rechtvaardig!
Geen hunner is 't. Zij allen haten mij.
Zij spannen saam', oproerig en boosaardig!
Al zijn ze ook van den nieuwen gruwel vrij,
Om de oude schuld zijn zij de doodstraf waardig.
Mijn braven, op! volvoert uws meesters woord!
Grijpt toorts en zwaard! en blakert en vermoordt!’ -