58.
Aleet is de een: hoe laag ook van geboort,
Toch wist hij zich in 's Konings gunst te dringen.
Welsprekend, sluw, geveinsd in blik en woord,
Een slang, die zich in elke bocht kan wringen,
Zoo schuifelt hij met valschen glimlach voort,
En treft zijn doel na duizend kronkelingen.
Zijn lastertong is zóó door list verfijnd,
Dat hij verklaagt als hij te prijzen schijnt.