17.
“Op!” roept men: “Op! De vijand! ....” Eerst van allen
Springt Swen op, met het slagzwaard in de vuist;
Zijn oog vlamt als de wolk bij 't donderknallen,
Zijn voorhoofd brandt, en elke bloeddrop bruist.
Vóór, achter, links en rechts, zijn we overvallen
En ingespard. Een woud van lansen zuist,
Een ringelmuur van zwaarden gloeit ons tegen,
En fluitend valt een dichte pijlenregen.