47.
De Vorst herneemt: ‘Waar schemert een landouwe,
Aan 't uiterst eind van deze waereldsfeer,
Waar schuilt de plek, roemruchtige Jonkvrouwe,
Waar de eeuwge faam niet klapwiekt tot uw eer?
Nu 'k aan mijn zijde uw machtig zwaard aanschouwe,
Ben ik getroost en ken geen vreeze meer.
Ware uit den grond een leger opgerezen
Ter mijner hulp, ik zou niet blijder wezen!