66.
De Démons vliên naar 't gruwzaam Nachtgebied,
Om daar de klauw naar de offers uit te strekken:
Zóó talrijk zijn de klepprende eibers niet,
Die over zee naar warmer oorden trekken;
Noch zelfs, wanneer de herfstwind nederschiet,
De blaâren, die den dorren grond bedekken.
Naauw zijn ze weg, of 's hemels rouwgewaad
Verdwijnt, en de aard' vertoont een blij gelaat.