58.
Toch moeten beide, en moeten allen hier,
Voor Reinout, voor een teedren Jongling, wijken:
Wèl doet zijn blik, zoo vriendlijk en zoo fier,
De majesteit van Koningen bezwijken!
Den stoutsten droom beschaamde zijn rapier:
Zijn lente mag met najaarsvruchten prijken.
't Is Mars, wanneer hij inrukt op den dood,
't Is Amor zelf, als hij 't gelaat ontbloot!