39.
Sints de eerste jeugd heeft zij de zachter zeden
Van 't Schoon Geslacht voor weeklijkheid geteld:
Geen vlasdraad ooit is door haar hand gegleden,
Die nimmer naalde of schietspoel heeft omkneld.
Ze ontvlood de weelde en werkloosheid der steden,
Want eer en tucht woont ook op 't vrije veld.
Haar dreigend oog stond streng en trotsch te gloeien,
Maar trotsch en streng, 't kan toch de harten boeien.