25.
Des Sultans helm vertoont een draak: hij kronkelt
Den spitschen staart, en spert den wijden muil,
En rekt de klaauw, en klapperwiekt, en vonkelt
Met loenschen blik: - zijn tong, van zwadder vuil,
Flitst uit de keel, waarin de woede ronkelt
En reutelt met een halfgesmoord gehuil;
En klimt de strijd, dan schijnt hij gants te blaken,
En zwavelsmook en vlammen uit te braken.