8.
‘Waar Gij, o Heer! Uw heilig offerbloed
Op aarde plengde uit doodelijke wonden,
Daar smelt ik niet, met overkropt gemoed,
In tranen weg bij d' aanblik mijner zonden?
Mijn koude ziel! stroomt ge in geen dubblen vloed
Ten oogen uit, in 't brandend vocht verslonden?
Mijn harde ziel! vergaat ge niet van pijn?
Wie thands niet weent, zijn wee zal eeuwig zijn! ....’