66.
De aanstaande strijd is 't ál niet wat zij ducht;
Maar 't zijn vooral de wonden hem geslagen,
Die immer, in wat eenzaamheid zij vlucht,
In purpren gloed voor haar verbeelding dagen:
't Is menig valsch of halfvervalscht gerucht,
't Zijn stemmen die van gruwelen gewagen:
Zoo waant zij dan haar aangebeden held
Krank, uitgeput, ja reddingloos geveld!