53.
De rechterhand faalde ook, en bloed bevlekte
De borst, den rug, afschuwelijk gekwetst.
Ginds lag de helm: de stalen aadlaar strekte
Daar als van ouds de wieken over 't nest.
'k Zag rond tot ik - een akkerman ontdekte,
Die eerst op ons verbaasde blikken vest,
Maar plotsling, als gedragen door de winden,
Zich wendt, om in de vlucht zijn heil te vinden.