117.
‘Op, makkers!’ roept ze, ‘ons recht is in Gods hoede:
De Hemel-zelf staat strijdende ons ter zij'!
Wij voelen niets van 't blaken Zijner woede;
Ons oog ziet klaar, en onze vuist bleef vrij!
Hij slaat met Zijn verpletterende roede
De Franken blind: hun neêrlaag is nabij,
Zij derven licht en wapenen! Ten strijde!
Nu 't Noodlot-zelf ons tot verwinnaars wijdde!’ -