88.
Die Saraceensche roofhorde is zóó stout,
Zóó plunderziek, zóó driest en ongebonden,
Dat ze, even als een zondvloed, weide en woud
Heeft overdekt, met al de heuvelgronden.
Een oorlogstroep moest zonder oponthoud
Tot tuchtiging dier stroopers uitgezonden,
Opdat althands een onbetwiste baan
Van 't strand der zee naar 't kamp moge openstaan!’