32.
Van allen die daar leven, weet niet één
Dien donkren weg, dan ik. Door 't hart der aarde
Voert hij ons naar de binnenkamer heen,
Waar juist de Vorst zijn hoogen Raad vergaârde:
Zijn hart wordt door te felle vrees bestreên,
Nu 't Noodlot hem den bittren kelk niet spaarde -
Gij komt te goeder uur: hoor; zie; en zwijg;
En, is het tijd, dat dan uw wekstem stijg'! ....’