49.
Wie ooit, als hij, de macht der liefde kende,
Leest uit zijn blik wat felle pijl hem trof;
Zijn boezem zwoegt van hopeloze ellende,
Zijn kleur verschiet, zijn peinzend oog wordt dof.
Acht honderd kloeke ruiters telt zijn bende,
Verkozen in Kampanjes bloemenhof,
Of aan den voet der groene heuvelklingen,
Die de oevers der Toskaansche zee omringen.