50.
Nu rukken, ziet! twee honderd Grieken aan,
Maar zonder helm en prangend borstgesmijde.
De boog danst op hun schoudren onder 't gaan,
Het kromme zwaard hangt vonklende aan hun zijde;
Hun rossen zijn snelvoetig als de orkaan,
Welras gevoed, en onvermoeid ten strijde:
Dit Volk valt uit, en wijkt dan, even vlug,
Al vechtende en al vliedende terug.