73.
Elk schrijft zijn naam en werpt, in hoop en vreezen,
Zijn strookjen in een beker van ivoor.
Men schudt en trekt. Die 't éérst wordt aangewezen,
Is Pembroks Graaf, de blonde Artemidoor.
Nu wordt de naam van Gerhard afgelezen,
Daarop klinkt die van Wenceslaus in 't oor,
Van Wenceslaus, zoo ernstig, zoo ervaren,
Maar thands een kind, verliefd, met grijze hairen!