49.
Zij ziet en kent de harnasplaat des dappren,
Ontilbaar zwaar, blaauw als een zomerlucht;
Den helm, waarop des aadlaars vleuglenklappren
Het jong gebroed bemoedigt tot de vlucht;
Wiens kopren kam een veederbosch deed wappren,
Die vóórging in het felste strijdgerucht.
't Ligt al vernield, bezoedeld voor hunne oogen,
En 't wraakvuur droogt den traan van 't mededoogen.