70.
Daar zet ze hem het zwaard op hals en keel:
Het knorsbeen scheurt, de gorgel is gespleten;
Reeds rolt het hoofd, reeds ligt het bekkeneel
Bebloed, bestoft, door de andren heengesmeten,
Terwijl nog steeds - o gruwelijk tooneel! -
De doode romp ten zadel is gezeten.
Het wilde ros, van trens en teugel vrij,
Springt, steigert, werpt in 't eind zijn last op zij'.