94.
Jonkvrouwlijk preutsch, slaat zij de wimpers neêr,
Een schaamteblos rijst aarzlende op heur kaken;
En 't zuiver wit, zoo onnaspeurlijk teêr,
Verliest zich in de rozen die er blaken:
Zooals het waas der zilvren hemelsfeer
Tot purper wordt bij 't eerste lentontwaken. -
De gramschap hoogt den zachten schemerschijn
Der eerbaarheid tot levend karmozijn.