29.
Van allen die daar branden zich te wreken,
Stond niet het minst zijn bonzend hart in gloed:
Bij Tankreds keus was hij op zij' geweken,
Met de andren hem nu volgende op den voet.
Daar ziet hij hoe de Held, verrast, blijft steken,
Alsof op eens hem de onwil aarzlen doet.
Daar straalt het vuur den jongeling uit de oogen,
En spoorslags is hij Tankred vóórgevlogen.