19.
Vaak als de kudde een koele plek mocht vinden,
Ter schuilplaats voor de gloênde hemeltin,
Drijft ze onvermoeid den naam des welbeminden
De schorse van lauwrier en taxis in;
Of griffelt op den weeken bast der linden
Heel de Ilias van haar bedrogen min,
Om keer op keer haar eigen droeve reeglen
Te lezen en met tranen te bezeeglen.