71.
Aldus spreekt de eene: - ‘O Jonkvrouw, die tot heden
Gewandeld hebt naar mijne onkreukbre wet!
Wier blanke ziel, wier maagdelijke leden,
In boeien zelfs, geen vlekjen heeft besmet!
Wilt gij nu, vrij, de kuische bloem vertreden,
Die gij, slavin, zoo moedig hebt gered?
Helaas! wat waan is in uw hart geslopen!
Wat durft gij denken? ach, wat durft gij hopen?