21.
Maar ziet! Klorinde ijlt Tankred woedend tegen:
Daar treffen zij elkander in 't vizier!
Daar spatten, in een dichten splinterregen,
Hun lansen stuk! .... Maar 't stalen hoofdscharnier
Der Jonkvrouw breekt - de helm ligt neêrgezegen,
En plotsling golft, met onweêrhouden zwier,
Een lokkenpracht, die 't licht als goud doet blaken,
Om 't rozenrood van maagdelijke kaken.