51.
Het Christenvolk vindt al zijn stoutheid weder,
Op 't schouwspel van huns Veldheers reuzenmoed.
De Sultan kampt, uitstekende als een ceder,
Aan 't voorhoofd van een uitgelezen stoet.
Geloovigen en Heidens ploffen neder;
Van wederzij' rookt, kabbelt, stroomt het bloed:
Verwinnaars en verwonnenen doen sneuvlen
En sneven-zelf, opééngetast tot heuvlen.