15.
Maar bleef wel ooit wat minlijk is en teeder,
Geheel verhuld? - Gij, Liefde, duldt het niet!
Gij trekt alras den dichten sluier neder,
En - 't Meesterstuk der Schepping wordt bespied.
Gij doekt het oog, en straks ontbloot gij 't weder,
Gij, Blinde, die met Argus-oogen ziet!
Hoe wel bewaard de kuische Jonkvrouw wone,
Één jongling zag en - gloeide voor de Schoone!