27.
Hij draaft daar heen met ongewisse schreden:
Daar dreunt een paardgetrappel van nabij,
Daar komt er een den bergpas uitgereden,
Een oorlogsboô naar uitzicht en kleedij.
Hij zwaait de zweep, geen harnas dekt zijn leden,
Een kopren hoorn hangt vreedzaam aan zijn zij'.
- ‘Wat weg,’ aldus haast Tankred zich te vragen.
‘Moet hier naar 't kamp der Christnen ingeslagen?’