81.
Daar treedt, waar lans en pijlenbus rinkinken,
Een jonge Paadje van den Sultan op.
Een harpmuziek schijnt in zijn stem te klinken,
Zijn leven bloeit in d' eersten lenteknop;
Het brandend zweet ligt op zijn kaak te blinken
Als op een roos de vloeibre pareldrop;
't Stof schijnt den gloed dier lokken te verhoogen,
En lieflijk is de gramschap in die oogen!