78.
Zijn harnas en een schittrend kleed omringt
De heldenleest. De heerlijkheid des Heeren
Bloost zijn gelaat. Geen helm, geen zwaard rinkinkt:
Hij wil zich niet met áárdsch geweld verweeren.
De gouden staf, die in zijn rechte blinkt,
Is 't wapen, dat dit onweêr zal bezweeren.
Zoo toont hij zich, zoo spreekt hij, en zijn stem
Weêrklinkt bijna met goddelijke klem: