33.
De Held lag niet op 't aangezicht. Ten hoogen
Ging steeds zijn vlucht, ten hoogen zag zijn blik,
Als ving hij in den spiegel zijner oogen
Gods Hemel op tot bij zijn jongsten snik.
Zijn rechtervuist, krampachtig omgebogen,
Omklemde 't zwaard, eens honderden ten schrik;
Zijn linkerhand lag op de borst, als bade
Zij God den Heer oodmoedig om genade.