61.
Ziet Jupiter en ziet Saturnus draaien,
Verschillend beide in werking en natuur,
Ziet elke star, in ordlijk ommezwaaien,
Aan englenhand geslingerd door 't azuur.
Zoo daalt hij in den kreits, waar stormen waaien,
Der donders en der regens voorraadschuur,
Waar de Aarde rolt, de jongste uit 's hemels kooren,
In eeuwgen strijd steeds stervende en herboren.