77.
Zóó zoudt gij in zijn lauwerkransen deelen,
Zóó, deelen in zijn hooge heldendaân:
Hoe zouden U zijn kuische kussen streelen!
Wat zoudt ge blijd ter groene bruiloft gaan!
Een beeldschoon kroost zou aan uw boezem spelen,
Naast Latiums matronen zoudt gij staan,
In 't lieflijk Zuiden waar de oranjes gloeien,
Waar Schoonheid, Moed en echte Godsvrucht bloeien!’