17.
- ‘Daar ligt een kamp, verrijkt uit honderd landen,
Dat grooten roem bij kleiner krachten vond,
En, als een zee met gulzige ingewanden,
De schatten van heel Aziën verslond!
Dat alles geeft nu 't Noodlot in uw handen,
Schier zonder slag of stoot, in éénen stond!
Die wapens, die van goud en purper gloren,
Beschermen 't niet, maar zullen ú behooren!