11.
Die vijand moge in onze burchten dringen,
Zijn vreugd duurt kort; en ook, het schaadt ons niet,
Zoolang de kroon mijn slapen mag omringen,
En ik, als steeds, mijn edel Rijk gebied!
Poog dan een wijl die geestdrift te bedwingen,
Die ge in uw hart te vroeg ontwaken liet,
En wacht bedaard, tot vriendelijker tijden
U met den roem, mij met de wraak verblijden!’ -