67.
Als ze eindelijk den dageraad ziet gloren,
Dien Godefried tot d' aftocht heeft bepaald,
Begroet zij hem, en doet zich needrig hooren:
- ‘De morgen, Heer! door U gekozen, straalt:
Komt immermeer mijn dwingeland ter ooren
Wat gunst bij U mijn zwakheid heeft behaald,
Dan zal hij zich gezwind ten strijde gorden,
En 'tgeen ik doe een hachlijk waagstuk worden.