61.
De burgers der bedreigde stad verschrikken,
Nu volk bij volk hervoort rukt in 't verschiet;
Maar zij-alleen schijnt de oogen te verkwikken
Aan 't schouwspel dat haar 't machtig leger biedt.
Zij zoekt alom met vonkelende blikken,
Of ze ergends ook den veelgeliefde ziet.
't Is vaak vergeefs - maar plotsling opgerezen,
Roept zij soms juichende uit: - ‘Dát moet hij wezen!’