87.
Maar niet alzoo! 'k Zal, éér de draden groeien,
Hun spinneweb verscheuren met het zwaard!
Hun eerloos bloed zal langs de straten vloeien,
Geen kind worde op den moederschoot gespaard!
De rosse vlam moet op hun daken gloeien:
Hun lijkgebeent' is zulk een mutsert waard!
Ik-zelf, ik zal hun priesters, waar ze knielen
Op 't heilig graf, met eigen hand vernielen!’ -