5.
Een schare, door nieuwsgierigheid gedreven,
Leidt hem terstond naar Godfried heen. Hij buigt,
En kust die hand, die Babylon doet beven,
En spreekt: ‘O Heer, van wien de Faam getuigt,
Zoo ver als hier de verste golven zweven,
Zoo hoog als ginds de starrenhemel juicht!
Och, hadde ik u een blijder nieuws te schenken....’
Hij zucht; maar gaat straks voort, op Godfrieds wenken: