76.
Maar 't klare vocht, dat nieuwen luister schonk
Aan 't levend dons der maagdelijke kaken,
Scheen vuur te zijn, dat in de harten zonk,
En duizende begeerten deed ontwaken.
O toovermacht der Liefde! die de vonk
Uit tranen lokt, en water dus doet blaken!
Ja, overal is zij natuur te sterk,
Maar hier wrocht zij haar eigen meesterwerk!