46.
'k Spreek, schoon Argant verwoed me in de oogen staart,
En, oorlogsziek, de waarheid niet wil hooren.
't Onbuigbre Lot begunstigt 's vijands zwaard:
Daar is een stem, die 't fluistert in mijne ooren.
Hij wijkt voor macht van volk noch muurgevaart',
En rust niet eer hij 't Rijk zich ziet beschoren:
De Hemel weet, het woord dringt me uit de borst
Uit liefde en trouw voor Vaderland en Vorst!