Skip to content
1645

Arions vingertuig

Thomas Fonteyn

Toon: Den lustelijkken Mey, &c.

DEn angenamen Meyboom groeid, En al de vrugtbre spruiten, sich ontsluiten, En alles, ‘t gun te voor gesnoeid, Was, komt

nu ylings buiten, zoet uit muiten. ‘t Gevogelte hippild ende singt, Het grofve gedierte danst en springt. En schijnen nu we’er te leven: Want al ‘er leet en beven// is verdreven. De Visser tobbeld op ‘et Meir, Met zoete vreugd, en queelen// door ‘et streelen Van ‘t labber-koel mooi zailbre weer; Wiens troetelende speelen// hem doet keelen,

Doet keelen, ‘et een, na ‘t ander Liedt: Wijl ‘t Visje nopt en graagte bied. Hoe kanmen treurig weenen Als’t ongemak al heenen// is verdweenen: Den Mens vertoond hem heel verblijd; Wijl vreugdb’et hart ontkluisterd// en ontluisterd. De Kooren galmen wijd, en zijd En dreunen, wen ‘tverduisterd// en bezmuisterd, En kroozige rijk, krijgt ban, en schop, En pletbare trappen op zen kop, En wijl des Heemels zaalen Haar heil op ons doen dalen// met’er stralen. Op Mens, en, loof u God en Heer, Voor zijn zo mild een zegen// nu verkregen. Bewijst zijn goetheid, lof, en eer, En, wandeld nu te degen// in zijn wegen. Hy is alleene de Heilgoeds bron: Den zielen starr’, en leven Sonn. Looft hem met al u krachten Hy zal u ziel ontmachten// van’t verachten. Deugd teeld heil.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Arions vingertuig · Thomas Fonteyn · Poetry Cove