Toon: Den lustelijkken Mey, &c.
DEn angenamen Meyboom groeid,
En al de vrugtbre spruiten, sich ontsluiten,
En alles, ‘t gun te voor gesnoeid,
Was, komt
nu ylings buiten, zoet uit muiten.
‘t Gevogelte hippild ende singt,
Het grofve gedierte danst en springt.
En schijnen nu we’er te leven:
Want al ‘er leet en beven// is verdreven.
De Visser tobbeld op ‘et Meir,
Met zoete vreugd, en queelen// door ‘et streelen
Van ‘t labber-koel mooi zailbre weer;
Wiens troetelende speelen// hem doet keelen,
Doet keelen, ‘et een, na ‘t ander Liedt:
Wijl ‘t Visje nopt en graagte bied.
Hoe kanmen treurig weenen
Als’t ongemak al heenen// is verdweenen:
Den Mens vertoond hem heel verblijd;
Wijl vreugdb’et hart ontkluisterd// en ontluisterd.
De Kooren galmen wijd, en zijd
En dreunen, wen ‘tverduisterd// en bezmuisterd,
En kroozige rijk, krijgt ban, en schop,
En pletbare trappen op zen kop,
En wijl des Heemels zaalen
Haar heil op ons doen dalen// met’er stralen.
Op Mens, en, loof u God en Heer,
Voor zijn zo mild een zegen// nu verkregen.
Bewijst zijn goetheid, lof, en eer,
En, wandeld nu te degen// in zijn wegen.
Hy is alleene de Heilgoeds bron:
Den zielen starr’, en leven Sonn.
Looft hem met al u krachten
Hy zal u ziel ontmachten// van’t verachten.
Deugd teeld heil.