D.
DEn angenamen Meyboom groeid,12
De werltze staat, en malle Dragt,14
Dwinglandi, geknijpt opt teer gemoed, dat, &c.53
Deugd en Zeeden, pralen meer dan, &c.55
De zinnekeur doet vaack betreuren,65
Die munteloos, en dorstig gaat,86
De geenen, die ‘t breyn spitzen, en slijppen,103
Diana zen u Maagde Rei,105
De Minn, een mengzel van veel quaad,139
Die de Deugd, en ‘t lieflijk lonkken,196
Das was ein langen swangen bast,235