An de Minnaars.Toon: Si tanto Gratioza.IV.
GHy, Minnaars, wien de vonken
Van ‘t albeschittrend vuir, van liefd, doet blaaken:
Bezie, de lodde lonkken,
Van zulk verweend gezigt, en kraale kaaken,
Daar, in ‘et pit,
De Deugde zit
Te prijkken, en te glooren,
Met schoon gewaaden
Gecierd en overladen
Na behooren.
Kiest, mach uw’ keur gebeuren,
Zodanig een, daar Deugd, en ‘t zeedig leeven
De keur, niet doet betreuren;
Maar eer, de Ziel, een zoet vernougen geeven:
Want daarmen trouwd,
Om goed om goud,
Verliestmen rust, en wellust;
Tgeld, schuifd met zugten,
En bange ongenuchten
In een quellust.
Maar Deugd, zal nooit vervliege,
In ‘t stantvastig, in Deugdgelijfde, harte:
Geen schijn kan haar bedriege,
Nog duldelooze pijn, en loutre zmarte:
Want Deugd krijgd klem,
Door kraft, door stem
En leevende manieren:
Prijst zulke Vrouwen,
En wilts in waarden houwen
Die Deugd cieren.
Men is zo ligt bedroogen,
Wanneermen huiwd’ de schoont, aan swufte klompen;
Die, schoon en mooi voor oogen,
Niet laten na’e dan leelijk ziende rompen;
Maar ‘t schoon gelaat,
Op Deugden maat
Geschoeit, geeft lust en leeven,
Die zoete hartjes,
Zullen, voor bittre partjes,
Heunig geven
Zoet, is, zmaaklijk.