Aan de eerbre Vrouwenlijnnen.Toon: ‘t Pronkje van dees Maagden.V.
TGloorend luistrig stralen,
Van uw’ deugdig leeven,
Kan mijn hart onthalen
‘T gunge niet kond geeven;
Maagden, ‘k zie geschreeven
Een weelde in uw’ hart’,
Wijl ‘t woelen// en kroelen
V zinnen// in’t minnen
Tot Godsvrugt tart.
Wie zouw uw niet prijzen,
En met luchte galmen,
Vwen loff doen rijzen
Met eerwaarde Pzalmen;
Ia met groenbre palmen,
V kroonen ewig nu?
Wy konnen// ô, Zonnen!
Niet leeven// en zweeven
Ten zy met u.
‘K wil derhalven, eren
V vergoode pruikken,
En u loff vermeeren
Met lauwriere struikken,
Die zo aartig fnuikken
Den haters stouten mond:
Schoon ‘t parzzen// en knarssen,
Wil grollen// en hollen
Gy blyfd gegrond.
Loff, loff Engelinnen,
Zo in Deugd, als luister:
Die, als Zerafinnen
V van ‘s weerelds zmuister,
Ritzeld uit den duister
Van ‘t krollende gebas:
Vaar rustig// leef lustig,
Leef Deugdig// en Vreugdig,
Als ‘t is, en ‘t was.
In Deugd onveranderlijk.