M.
MErkuir, een God, wiens dartel Tong,51
Mijn lief, mijn hart// dat smart,125
Men schrijfd, en zeid; dat den Salmander ‘t leven,134
Maar toen nog na een lange streek,148
Meisse, zalt tan nieuwers lokken,180
Maagden tza// volgme na// sparr’ u oog, &>c.183
Mijn Lieff, hoe streeld het safte bed u le’en,186