Toon: Esprit, qui souspirez.
ZArpzoete Tooveres// die my met uwen oogen
Begoogheld, dat ik niet en zie dat ghy my vaak,
Zo listig en deurtrapt bedriegt, en hebt bedroogen;
Tot mijn een hartepijn, tot u een groot vermaak.
Zal ik u zarripheid dan ewig moete proeven;
En nimmer enig heil geniete van u mond?
Elaas! dan wat een ramp komt my dees borste schroeven,
Zo knijpend hart en straft, tgun my zo deerlijk wond;
Die straft, moet re’en, en regt zen Doelwitt’ late weezen;
Waar is de re’en, en ‘t regt die gy hier in gebruikt:
Om my, uit stoff van quaad, alleenelijk te peezen;
Waar door ik waardig ben zo kort te zijn gefnuikt?
Is niet mijn trouwe Minn, van Tijd, tot tijd, gebleeken:
Zodanig dat ik waan, men kan niet trouwer zijn?
Maar ‘t schijnd wel Trou en Deugd word heede meest versteeken.
O, weereld vol bedrog, hoe zlim bedriegtge Mijn!
Vaar wel dan Afgoddin, ik hoop mi zo te draagen;
Dat mijn oprechtheid, schoon zy u nu mishaagd,
Nog eenmaal zal, wijl myn vergoode ziel, behaagen.
Nooit koomt hy qualijk uit, die een rein herte draagd.
Rein is zuiver.