Tweede Geval.Franze Kortizaan, oft Hofpop. HEt Tweede was; wanneer ik quam Dat ik den Troon Gordan vernam, Daar ikme endlijk zetten liet Int land, tgun Aquitanjen hiet, Daar ik nu niet aff zeggen zal Wat my daar noopte voor geval. Ik trok van daar te paarde; maar De reis die vielme zoo te zwaar, Ik was gequetst die konde toen Het rijden my geen dienste doen.
Ik ging te Koets en reizde na Parijs, de France Hooftstat, drae; Maar vond daar onderweg een stoet Gezelschap, dit gevielme zoet. Een jonge Joffer, schoon en prat, Haar Meid, en, een uyt Delphinat, Twee Amptlien, en noch een ‘er by En nog een Edelman, die my Verklaarde, dat hy most na’tHoff Om daar een zaak te richten off: Zo quam ‘et juist, in het bestier, Dat my een plaats gegeven wier Naast deeze zoete Juffrouws zijd, Het gunme maakte zeer verblijd. Wy praten, hier en ginder van
Met vragen, zoekken, nu en dan Van waar, off wie men weeze mocht, En, waarmen voords te reizen docht. De Joffer merkt’ ik, was van staat, En ‘tdochtme ook aan haar gelaat; Dies socht ik haar, met dienst en eer, Vernoug te geven, meer, en meer: En wat ik dee ‘tgeviel ‘er wel Zy nam ‘et an voor minnespel, En schoot ook menignaal een lonk Knap na my toe, wiens dartle vonk Mijn borst doorgloeide; maar ‘er deugd Verzeld met zo een schoone Jeugd; Die dee, zo my toen dacht, vermoen Dat ik ‘er meerder eer wou doen.
Ik nam ‘er an voor zoeten aart Die met beleeftheid was gepaard, En diend ‘er als men zoo een Maagd Moet dienen dat ‘et haar behaagd. ‘Tgeviel eens datwe ‘zavonds laat, Wanneer de Zon te zlape gaat, Ter herberg quamen, met ons acht Om daar te blijven over nacht, Dat daar geen plaatze meer was vry Als voor ons zeszen; zoo dat wy, Ik, en den Daulphinois alleen Ons wat behulpen met ons tween. Dat gingk zo voord: na korten tijd Zo reisden wy al wijd en zijd, Tot datwe quamen an de stat
Die ‘t weerels wonder in zich vat. Daar quam de uir van tscheiden aan, En, yder prate van te gaan. Ik nam de Joffer van ‘er hand Een kostelijkken Diamant, Uit kortswijl, en ik gaf ‘er een Van minder prijs, wel eens zo kleen; Doch gafs ‘er weeder; en ik zei Ik dank me Joffrouw van ‘t gelei, En gaf ‘er enen scheidekus Voor ‘t laatste, daar op zeize dus: Mijn wooning is niet ver van hier, Gelege aan een schoon rivier Doet my de eer aan, Edelman, Dat gyme eens, tzy nu, of dan,
Bezoekt; ik zei, ik zoud ‘et doen En daar op namze oorloff toen. Nu, als ik eenmal deur de Stat, My had gewandeld moe en mat; Zo quam den Daulphinois wêer aan. En zei: kom late wy eens gaan, En zien, waar dat de Joffer woond, Die ons ‘er woning heeft getoond. Gezeid, gedaan. wy stapten heen, Wy klopten an, toen quam ‘er een Die lei ons in ‘er kamer daar Zy noch te bed gelege waar. Zy; wijl ‘er hooft had zeer gedaan, Kon, zeize, niet van ‘t bedde gaan. Dies bad zy, datmen’t nemen zou
En werpen’t inde beste vou; Dat zy niet eerder was gekleed Om ons ‘tonthalen, noch gereed. Hier op zo quam de Meid: en heeft Twe stoelen, dienstich, en beleeft, Voor ellik een ter neer gezet Aen ‘t een, en ‘tander end van’t bed. Daar zachmen op ‘et blaauwarmozijn, Haar lijnwaad breed gekant, en fijn. Haar spiegel, kam, haar lint, en roos, Haar strik, en, zilvre poei’erdoos Pendanten, oor, en armgespan En meer ‘tgun ick niet noemen kan: Haar paarleznoer, haar schoon robijn En wat tot toijing nut mach zijn.
Mijn kammeraat stond op, en gingk Om enig nut, en noodig dingk: En badme dat ick hem aldaar Wat wachte zou, tot dat hy maar Een man, hier dichte by de Stat. Een woord of twee gesproken had. Hy gingk dan met de Meid beneen, En liet my by de Maagd alleen. Strakx ving Mejuffer aan, en zei: Terwijlze speelde, met gevlei Een ik, en weet, wat, voor gelaat Van buiten sporelige praat; Maar efter ‘k had noch geen gedacht Dat quaad was, ‘k hebb’et zlechts belacht. Maer toen quam Juffrouw dichter by,
En greep, en kuste zelver my En klampten aan zo vast: dat ik Haar kussen moste, maar een schrik Beving men ziel; maar evenwel Te zien den weg na ‘t minnespel, Te strooken haare borsjes blood, Te zien ‘er lippjes, zuiver rood, Haar hoofd met, geestich, haar bezwierd, En al met wat de schoonheid çierd, Veel meer dan ‘t werden kan verteld, Zo denk eens hoe ik was gesteld. Ik was byna bekoord; maar mits Ik voords mijn zinnen, trok na ‘t spits Van mijn bedenkken (Dank heb God) Vervloekte ik die Gaile zmod,
En maakte zo een vast bezluit, Van mijn gemoed, te houden uit Den modderkuil, en ‘tzondeznoer Van d’alderaangenaamste Hoer. Dies veinzde ik van ‘t gun ik docht Op hoop of ikt’ ontkome mocht. En zei: Goddin! hoe dat mijn hert Ontsteeken is met Minnezmert, Getuigd de roode kleur, die my De ziel verschrookt, in lekkerny. Op zulk een lucht en dacht ik niet Voordeze, ‘tgunme nou geschied. En ‘tschijnd, hoewel gy meent’et vroom. Voor my te zijn een schim, of droom. Nu om te weezen zo een Mens,
Die alles heeft na zynen wens; Zo wenst ik, zo ‘et u beviel, Dat gy een plaatze’ of herberg hiel, Daar ik by u mocht ewig zijn, Dat waar een zalf voor al mijn pijn? En wilt dan lukke, als ik hoop, Dat ik een groten goudenhoop. Van kroonen krijg; wy zullen, zoet, En vrolijk weeze van gemoed. Wel, zeize, weederom, kom vry En rust u ewig dicht by my. Mijn kamer staat voor u gereet, En, alles watge wild of weet, En is u wissel nog niet klaar Zo spreekt, en zegt u mening maar.
Hier hebb ik nog een weynig geld Dat zal u worden angeteld, ‘t Zijn honderd kroonen, neemze mee Ik wil ‘er niets voor in de stee, Het is het gun ik u vereer, En toen omhelsde zijme weêr. Terwijl ik haar een strooking gaff, Trad ik een weinig van ‘er aff En zei: mijn Lief, de Goden hoên My, dat ik dat niet poog te doen, En, op dat ik vergelde zouw De gunst en vrundschap vanme Vrouw, Zoo bid ik u mijn hoogste lust, Dat ghy hier nog een wijltje rust, Tot dat ik heb een Man, mijn Lief,
Gesproken van men wisselbrieff, Zo hyme maar bescheid en geeft Dat hyze of ontfangen heeft, Off, meend te krijgen, ylings maar Zo bennen alle dingen klaar. Ik, na dat ik ‘er boezem had Een reis, of tweemaal angevat Nam, na den lesten zcheidezoen, Een vrundelijkken oorloff toen, En gingk zo langs de trappen neer; Maar ik en quam ‘er nimmer weer: Want naderhant heb ik verstaan, Dat, zo ik had by haar gegaan En, als ik had geweest te sterk In ‘t alderdiepste Minnewerk,
Een Man gekomen hebben zou En zeggen; zlaaptge bymen Vrou! Gy looze schelm! gy boze fielt! Loop Jonge, dat hy word ontzielt. Haal my een ponjaard, dat ik hem De doodznak geeff, door’t stale klem. En had ik dan geen groote schat Van geld, in mijnen beurs gehad Om my te loszen vande Dood, My had genaakt een droeve nood Verzeld met een te laten wee, En druk. En dit gevaar was twee, D’andre Vertellingen spaard hy tot de namiddagh. Na arbeid rust.
Cookies on Poetry Cove