Arfilons klagten.Toon: Serbande.II.
Zuivre Godinne, u zlaaff leid geboogen; Zmeekende, vrundelijk om uwen Trouw: Zie hem, genadelijk, aan met u oogen, En, wort hervorremd door alle mijn rouw. ‘t Heeft, zoo ik meen, nu langgenoeg geduird. Te lang, Helaas! dat maakt ‘t gemoed verzuird. De rouw baard ziekt, en ongezonde le’en. Hoe meer dan, wenze lang blijft after een? Lijden, uit weelde zen oorzaak genoomen, Kan maar verbetre, hoe zeer datme lijd. Lijden, uit ontschuld te voorschijn gekoome, Baard ongenoegen, en wrevlige strijd. Anzie mijn lijden, overzoete Maagd: Anzie de trouwheid, die u Liever draegd:
Anzie die zucht in my, tot deugd en eer, Anzie u strafheid: ‘t is mijn ziels begeer. Straffe, die oeffendmen over misdaden. Strengheid, omstrengeld, die strengheid verdiend. Deugden, bepruiktme met gulle genaden. Vroomheid aan weldaad, spreekt vriendelijk, vriend. Toon my u goedheid, en, bezie wat goed V daar voor toonen zal mijn rein gemoed. Geen wiszer zaak, op reedens steen gebouwd, Dan daar de deugd met zuivre weldaad trouwd. Proeve van deugden, zijn wel te bemerkken. Vit de manieren, hoe quaad, of hoe vroom: ‘T leven, dat, keurdmen uit handel en werkken, Men plukt go’e vrugten van ene goeden boom. Dat quaad is, toond, zich vaak, volkoome quaad: Off immers meestedeel, ‘t gun vroomheid haat. Die goed is, leeft na re’en, en na de tijd. ‘T goed brald in gloori, als’et quade lijd. Zonde baard droefheyd.
Cookies on Poetry Cove