Aan. M. K.Toon: Qual vive Salamandra.
MEn schrijfd, en zeid; dat den Zalmander ‘t leven,
Al leid hy in den Brand,
Kan houden, aan de Band.
Zo ga’e ik ook, in glommerglo’en omzweeven,
Met blaakering van binnen,
Tgun dra’e verschrookt, verschroeid mijn wufte zinnen.
2Het vuir is stoff, om, tgun ‘t omhelst, te plengen
Zo kanze, die ik lief,
(O zoete levendieff)
Mijn lijf, als zijnde ree verwarmd, ombrengen.
O Hemel! hoe keund gy dit werk gehengen,
Dat menschen, tgun den Gooden
Slegs toekomd, lijfs, en lichaams konnen dooden?
3Niet dooden als het uiterlijk vernielen,
Off als ‘et vuir een stronkke doet,
Door haar knapaf verteerbren gloed:
Off alsme niet een lemmer kan ontzielen:
Maar met een dood die levend licht de hielen.
O, wonderbaarlijk sterven!
Daar, in de dood, geen leeven kan bederven.
4O Viandinn’ van mijn, noch quijnend, blijven!
Het is u tienmaal leet,
Dat gyme niet en weet
Door tgun, gy daar bequaam toe acht, ‘t ontlijven
Ai, Schone, laat dat quellend parzzend drijven
Tog varen: want mijn sterven
Zouw uw, wanneerge sterfd, geen lijf doen erven.
Om best Wil.