Toon: Karileen. KVipido, Dat dartle wigt, der wigten, Zag de schooner Maagd Amint, Met Hemelheid verguld Maar ongehuld,
Met zwierende tuitjes door de Zefierwind, Hy ‘er zoo Maar ziende, zand twee schichten D’een, na d’andere, naar ‘er toe, En trof de lieve Maagd Zoo onvertzaagd, Haar zieltje vol glooren, totze wierd te moe. Vlugt, wakkren jongen, Zeize met een schreeu, Gy komt gesprongen Na my als een Leeu. Gaar, gaat, En laat; Amint met vre’e. Kuipido, Ai, doet zoo Volvoer hier in mijn be’e. Hy te meer Op haar gebaar vernibbeld Schoot een ontuitblusbren gloed,
In haar, zoo teeren ziel, Die sulk gekriel Van dartele treekjes stookten in’t gemoed. Zy toen weer Heeft eve zeer geknibbeld, En geroepen, Bengel ga! Of schiet een Harders Kind Dat hy my mind Met zuivre liefde, doe u bootschip dra, Hy teeg aen ‘t runnen, Naar ‘er Tyter heen, Om haar te gunnen d’Eis van haar gebe’en. Hy trof// Zoo grof Hem in ‘et hart, Dat zen ziel// Strakjes viel In soete Minne smart. Tyter, toen, Van lusjes ingewikeld, Ylde naazen lieve kroost:
Wiens mild roobijnne mond Op wit gegrond, Hem gaf tot minnen, ende hoop tot troost. Hy gingk spoen, So haast hy was geprikkeld, Om zijn liefd aan haar te bien. Zy, weigrig in’t begin, Ontstal zijn zin, En flonkkrende oogen, dat hy niet kon zien. Maar na de zugjes Vit zen Borst geparst; Kwamen de vrugjes Met de Min gemarst, Zo braaf// En gaaf, Dat elk vernoegd: En de Min// heeft ‘er zin Met enen t’zaam gevoegd. Wil, baart lust.
Cookies on Poetry Cove